Kinderopvangtoeslag terecht geweigerd vanwege contante betalingen

 
Printervriendelijke versie

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft beslist dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht de kinderopvangtoeslag van de vrouw op nihil heeft gesteld vanwege het niet voldoen aan de kassiersfunctie.

Een vrouw had gebruik gemaakt van een gastouder via een gastouderbureau voor de opvang van haar twee kinderen. Zij vroeg daarvoor kinderopvangtoeslag aan en ontving over de jaren 2012 en 2013 in dit kader voorschotten van € 19.827,00 en € 15.492,00. De Belastingdienst/Toeslagen stelde echter uiteindelijk deze kinderopvangtoeslag definitief vast op nihil. De uitbetaalde voorschotten werden daarbij van de vrouw teruggevorderd. De reden hiervoor was dat de vrouw contante betalingen aan de gastouder had gedaan en daardoor met betrekking tot de betreffende jaren niet had voldaan aan de kassiersfunctie. De vrouw was het hier niet mee eens. In hoger beroep stelde de vrouw dat zij vertrouwen kon ontlenen aan de omstandigheid dat de Belastingdienst/Toeslagen in eerdere jaren contante betalingen gewoon had geaccepteerd. Voorts volgt volgens haar uit een brief van de Belastingdienst/Toeslagen van 22 september 2014 dat de dienst ook in 2013 en 2014 akkoord ging met contante betalingen aan de gastouder. Dit betoog faalt volgens de ABRvS.
De ABRvS overweegt daarbij dat de Belastingdienst/Toeslagen sinds 2011 controleert of de kassiersfunctie juist wordt toegepast. In dit geval heeft de Belastingdienst/Toeslagen over 2011 evenwel alleen de jaaropgave en geen betaalbewijzen opgevraagd, waardoor niet is geconstateerd dat de vrouw in 2011 niet aan de kassiersfunctie heeft voldaan. Het vertrouwensbeginsel reikte volgens de ABRvS niet zo ver dat de Belastingdienst ook in 2012 en 2013 contante betalingen aan de gastouder moest accepteren. Verder was volgens de ABRvS niet gebleken dat door een daartoe bevoegd persoon een concrete en ondubbelzinnige toezegging was gedaan waaraan de vrouw de in rechte te honoreren verwachting kon ontlenen dat zij ook over 2012 en 2013 recht had op kinderopvangtoeslag. De ABRvS verklaarde het hoger beroep van de vrouw dan ook ongegrond.

Bron: Raad van State 20-09-2017